Een lichaam is geen beroep. Toch kan een arbeidsmarkt lichamelijke eigenschappen selecteren alsof zij productiemiddelen zijn: kracht, uithoudingsvermogen, beschikbaarheid en tolerantie voor gevaar krijgen in sommige functies een directe economische betekenis. De mens blijft dezelfde persoon, maar de instelling ziet vooral dat gedeelte dat voor de taak bruikbaar is.
Van eigenschap naar functie
De analytische fout begint wanneer selectie als natuur wordt beschreven. Dat mannen gemiddeld vaker in bepaalde fysieke of risicovolle functies terechtkomen, zegt op zichzelf nog niet waarom. Voorkeur, loonstructuur, opleiding, cultuur, werkgeversselectie, alternatieven en lichamelijke verschillen kunnen tegelijk werken.
Een menselijke eigenschap krijgt pas economische waarde wanneer een organisatie haar kan gebruiken. Daar kunnen inkomen en status tegenover staan, maar ook vermoeidheid, letsel, onregelmatigheid en fysieke blootstelling.
De asymmetrie van succes en uitval
Zolang de functie werkt, verschijnt iemand vooral als werknemer en productiecapaciteit. Wanneer het lichaam niet meer kan leveren, verschuift de infrastructuur naar bedrijfsarts, verzekering, zorg, re-integratie of uitkering. De overgang verandert niet de mens, maar wel de categorie waarin instituties hem zien.