Artikel
Jongens binnen de jeugdzorg
zorg, controle en wat er verdwijnt tussen beide
Juist op het punt waar de vraag verschuift van wie zit in zorg? naar wat gebeurt er met hen binnen die zorg? wordt de jongensspecifieke informatie veel dunner. De nieuwe registratie van vrijheidsbeperkende maatregelen bestaat bijvoorbeeld pas sinds 2024 en IGJ waarschuwt bovendien dat instellingen definities nog verschillend registreren.
Gepubliceerd
De nadelige effecten van grootschalige systematishe ongelijkheid
Als je wilt begrijpen hoe jongens binnen de Nederlandse jeugdzorg behandeld worden moet je eigenlijk eerst stoppen met kijken naar jeugdzorg alsof het één instelling is waar iemand binnenkomt met een probleem en daarna hulp krijgt, want het systeem bestaat uit verschillende lagen die ieder een andere definitie gebruiken van wat er met een kind gebeurt: eerst kan iets een opvoedprobleem zijn, daarna een gedragsprobleem, daarna een veiligheidsrisico, vervolgens een reden voor toezicht, een gesloten plaatsing of uiteindelijk binnen een andere keten zelfs een justitieel probleem, terwijl het kind in al die stappen grotendeels dezelfde persoon kan blijven. Het systeem verandert dus niet alleen wat er met een jongen gebeurt, het verandert ook de betekenis die zijn gedrag krijgt afhankelijk van de instelling waar hij terechtkomt. En precies daar wordt het verschil tussen zorg en controle onduidelijk, want dezelfde agressie kan tegelijkertijd een uiting zijn van angst, trauma, verlies van controle, een veiligheidsrisico voor anderen en een reden om zijn eigen vrijheid verder te beperken. Er hoeft niemand te zijn die bewust besluit dat jongens harder behandeld moeten worden; het is genoeg dat een systeem vooral kan reageren op datgene wat zichtbaar wordt.
De nadelige effecten van grootschalige systematishe ongelijkheid
Als je wilt begrijpen hoe jongens binnen de Nederlandse jeugdzorg behandeld worden moet je eigenlijk eerst stoppen met kijken naar jeugdzorg alsof het één instelling is waar iemand binnenkomt met een probleem en daarna hulp krijgt, want het systeem bestaat uit verschillende lagen die ieder een andere definitie gebruiken van wat er met een kind gebeurt: eerst kan iets een opvoedprobleem zijn, daarna een gedragsprobleem, daarna een veiligheidsrisico, vervolgens een reden voor toezicht, een gesloten plaatsing of uiteindelijk binnen een andere keten zelfs een justitieel probleem, terwijl het kind in al die stappen grotendeels dezelfde persoon kan blijven. Het systeem verandert dus niet alleen wat er met een jongen gebeurt, het verandert ook de betekenis die zijn gedrag krijgt afhankelijk van de instelling waar hij terechtkomt. En precies daar wordt het verschil tussen zorg en controle onduidelijk, want dezelfde agressie kan tegelijkertijd een uiting zijn van angst, trauma, verlies van controle, een veiligheidsrisico voor anderen en een reden om zijn eigen vrijheid verder te beperken. Er hoeft niemand te zijn die bewust besluit dat jongens harder behandeld moeten worden; het is genoeg dat een systeem vooral kan reageren op datgene wat zichtbaar wordt.
Wanneer zorg letterlijk macht over het lichaam krijgt
In de gesloten jeugdhulp wordt dit het meest concreet. JeugdzorgPlus is geen gevangenisstraf, maar een kinderrechter kan wel toestemming geven om iemand gesloten te plaatsen. De deuren kunnen dicht, contact kan worden beperkt en jongeren kunnen onder voorwaarden worden afgezonderd, vastgepakt of vastgehouden, een plaatsverbod krijgen, tijdelijk worden overgeplaatst, hun kamer kan worden doorzocht, urine kan worden gecontroleerd, communicatie kan worden gecontroleerd en behandeling kan verplicht onderdeel zijn van het plan. Sinds 1 januari 2024 geldt daarvoor de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp, met het principe “nee, tenzij”: vrijheidsbeperking mag alleen wanneer zij noodzakelijk is, er geen minder ingrijpend alternatief bestaat en de maatregel passend is. Een jongere heeft inspraak en maatregelen horen in het behandelplan te staan; in een noodsituatie kan tijdelijk van dat plan worden afgeweken.
Dit is juridisch een poging om macht te begrenzen, maar daarmee verdwijnt die macht niet. De werkelijke verhouding blijft dat één partij kan bepalen wanneer het gedrag van een minderjarige voldoende gevaar oplevert om iets te doen wat die minderjarige zelf niet wil. Vrijheid wordt daar niet absoluut afgenomen maar conditioneel gemaakt aan veiligheid, behandelbaarheid en gedrag. En dat hoeft niet verkeerd te zijn om ingrijpend te zijn. Er bestaan situaties waarin iemand zichzelf of anderen ernstig kan beschadigen en ingrijpen noodzakelijk is. Maar vanaf het moment waarop veiligheid zowel de reden voor zorg als de rechtvaardiging voor dwang wordt, moet de vraag wie “veiligheid” definieert voortdurend opnieuw gesteld worden, omdat degene die het begrip definieert ook bepaalt hoeveel vrijheid er tegenover mag verdwijnen.
Plaatsingen
In 2025 waren er nog 656 JeugdzorgPlus-plaatsingen van 569 unieke jongeren. Bij nieuwe eerste plaatsingen was de verhouding bijna exact gelijk: 51 procent meisje en 49 procent jongen. De meeste jongeren waren vijftien of zestien jaar oud. Opvallender is dat 65 procent van de plaatsingen met een spoedmachtiging gebeurde. Jeugdzorg Nederland legt zelf uit dat dit mogelijk samenhangt met het zo lang mogelijk vermijden van gesloten zorg terwijl passende alternatieven niet altijd beschikbaar zijn, waardoor een situatie uiteindelijk als crisis binnenkomt. Gemiddeld duurde een verblijf in 2025 7,6 maanden en 17 procent verbleef langer dan een jaar.
Dat betekent dat het systeem op sommige punten bijna omgekeerd werkt: omdat men dwang wil voorkomen wordt ingrijpen uitgesteld, maar wanneer de omgeving het daarna niet meer kan dragen kan juist een zwaardere acute ingreep noodzakelijk worden. Geen intentie is daarvoor nodig. Alleen schaarste. Te weinig passende plekken, te weinig personeel, te weinig continuïteit, wachten, escalatie, crisis, machtiging. Een tekort aan zorgcapaciteit wordt op dat moment niet meer alleen een financieel of organisatorisch probleem; het verandert feitelijk hoeveel vrijheid een kind overhoudt.
In later toezicht werd het nog scherper. Bij bijna alle bezochte open aanbieders zag de Inspectie onrechtmatige vrijheidsbeperkende maatregelen. In een bredere analyse over gedwongen zorg in 2025 zag de inspectie dat 37 van 46 aanbieders gedwongen zorg toepasten binnen open jeugdhulp zonder de daarvoor vereiste wettelijke basis. Dat is ongeveer tachtig procent van de onderzochte aanbieders die gedwongen zorg toepasten. Het ging onder andere om algemene regels, beperking van telefoons en andere communicatie, cameratoezicht, het doorzoeken van kamers en het insluiten van jongeren op hun kamer.
En dit is misschien het meest fundamentele systeemprobleem, omdat hier de paradox helemaal zichtbaar wordt: je sluit de instelling omdat kinderen niet gesloten moeten worden, maar wanneer je de voorwaarden die het gesloten systeem noodzakelijk maakten niet tegelijk verandert, verhuist een gedeelte van de gesloten logica gewoon mee naar de open instelling. Alleen is de rechtsbescherming daar soms zelfs zwakker omdat het officieel geen gesloten plaats is. De naam van de ruimte verandert sneller dan de machtsverhouding die in die ruimte nodig wordt geacht.
Geweld is geen uitzondering die alleen buiten het systeem staat
Je kunt geweld in de jeugdzorg ook niet goed begrijpen wanneer je alleen vraagt welke medewerker een regel heeft overtreden. De Commissie-De Winter onderzocht geweld in de jeugdzorg vanaf 1945 en concludeerde dat ongeveer driekwart van de mensen die in die historische periode in jeugdzorg verbleven fysiek, psychisch of seksueel geweld had meegemaakt; ongeveer één op de tien vaak of zeer vaak. De commissie gebruikte daarom uiteindelijk zelf de term systematisch geweld. Dat betekent niet dat drie kwart van de jongeren die nu in 2026 in jeugdzorg zitten geweld meemaken, die cijfers mogen absoluut niet zo gelezen worden, maar het laat wel zien dat geweld historisch niet alleen voorkwam als incidentele afwijking van een verder veilig systeem. Het kwam terug in instellingen, pleegzorg, justitiële jeugdinrichtingen, jeugd-ggz, zorg voor jongeren met een verstandelijke beperking en andere vormen van opvang.
De onderliggende oorzaken die uit zulke onderzoeken terugkomen zijn bijna saai omdat ze niet mysterieus zijn: afhankelijkheid, groepen kwetsbare kinderen bij elkaar plaatsen, personeel met macht over dagelijkse vrijheid, te weinig stabiele begeleiding, institutionele belangen, gebrekkig toezicht en een kind dat voor eten, verblijf, toestemming, contact en uiteindelijk zelfs geloofwaardigheid afhankelijk is van dezelfde omgeving waarover het mogelijk iets zou moeten melden. Je hoeft geen instelling te ontwerpen met het doel misbruik mogelijk te maken; het is voldoende om een omgeving te bouwen waarin de prijs van spreken groter kan worden dan de prijs van zwijgen.
De ZIKOS-affaire liet zien dat deze vraag niet alleen historisch is. In 2024 kwamen getuigenissen van 51 jongeren naar buiten over afdelingen voor zeer intensieve observatie en stabilisatie. De Inspectie stelde daarna vast dat er ernstige signalen waren over grensoverschrijdende bejegening, de manier en frequentie waarop vrijheid werd beperkt en het ontbreken van passende hulp. De betreffende afdelingen kwamen onder verscherpt toezicht en stopten uiteindelijk. De inspectie besloot daarna haar eigen toezicht aan te passen, meer gebruik te maken van ervaringskennis en explicieter naar organisatiecultuur te kijken.
Dat laatste is eigenlijk belangrijker dan één incident, want een systeem kan volledig voldoen aan papieren regels terwijl de dagelijkse werkelijkheid ergens anders ligt. Een formulier registreert een maatregel. Een jongere ervaart vernedering. Een dossier registreert “agressie”. Een jongen ervaart paniek. Een medewerker registreert “weigerachtig”. De jongen ervaart dat niemand luistert. Geen van die beschrijvingen hoeft volledig gelogen te zijn. Ze bevinden zich alleen op verschillende posities binnen dezelfde relatie, terwijl degene die toegang heeft tot het officiële dossier uiteindelijk veel meer macht heeft om te bepalen welke versie later als werkelijkheid overblijft.
Seksueel misbruik en de jongen die niet goed in het slachtofferbeeld past
Bij seksueel misbruik wordt dat nog scherper. De belangrijkste grote Nederlandse studie naar seksueel misbruik van door de overheid uit huis geplaatste kinderen blijft het onderzoek van de Commissie-Samson uit 2012. Het onderzoek keek onder andere naar ervaringen rond 2008-2010. De cijfers zijn dus historisch en geen schatting van de situatie in 2026, maar de structuur die het onderzoek blootlegde is nog steeds belangrijk.
De commissie vond dat uit huis geplaatste jongeren bijna twee keer zo vaak seksueel misbruik rapporteerden als gemiddelde Nederlandse kinderen. Wanneer alleen residentiële jeugdzorg werd bekeken lag de gerapporteerde prevalentie nog hoger. Bij seksueel misbruik met lichamelijk contact rapporteerden meisjes 264 gevallen per 1.000 en jongens 126 per 1.000. Meisjes waren dus ruim twee keer zo vaak slachtoffer, maar het getal voor jongens betekent nog steeds ongeveer één op acht binnen de onderzochte groep. Bovendien wilde ongeveer de helft van de slachtoffers niet vertellen wie de pleger was, en wanneer dat wel werd verteld bleek in iets meer dan de helft van de gevallen de pleger een leeftijdgenoot, vaak een groepsgenoot of pleegbroer.
Nog vreemder is het verschil tussen wat jongeren rapporteerden en wat professionals zagen. De Commissie-Samson concludeerde dat professionals in de onderzochte prevalentiestudies minder dan twee procent waarnamen van het aantal gevallen dat kinderen zelf rapporteerden. De commissie beschreef daarvoor een combinatie van onderrapportage, angst, schaamte, jonge leeftijd, verstandelijke beperking, druk van plegers en een institutionele cultuur waarin seksualiteit moeilijk bespreekbaar kon zijn.
Daarmee wordt registratie zelf problematisch. Wanneer je alleen telt wat het systeem heeft gezien, meet je niet noodzakelijk wat gebeurde; je meet gedeeltelijk wat binnen het systeem zichtbaar genoeg werd om geregistreerd te worden. Dat verschil is bij jongens bijzonder belangrijk omdat slachtofferschap zelf kan botsen met de sociale betekenis die aan jongen-zijn wordt gegeven. Nederlands onderzoek naar jongens die seks tegen betaling hadden liet zien dat in vijf jaar slechts 45 minderjarige jongens officieel in beeld kwamen, terwijl onderzoekers en hulpverleners ervan uitgingen dat het werkelijke aantal veel groter was. Jongens zoeken minder snel hulp, mede door schaamte, taboes rond homoseksualiteit en de verwachting dat mannen minder makkelijk als slachtoffer gezien worden.
Dat zie je zelfs terug in de inrichting van zorgkennis. Voor meisjes die slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting bestaan verschillende gespecialiseerde zorgprogramma's en daar is ook gericht onderzoek naar uitgevoerd. Het NJi schrijft inmiddels expliciet dat deze programma's moeten worden aangepast voor andere groepen, waaronder jongens en non-binaire jongeren. Dat betekent niet dat er geen hulp voor jongens bestaat, maar wel dat een belangrijk gedeelte van de gespecialiseerde kennis historisch vanuit het meisje als herkenbaar slachtoffer is opgebouwd.
Wat buiten zichtbaar is
Ook buiten de jeugdzorg is het verschil in zichtbaarheid aanwezig. In 2023 zei 29 procent van de jongens tussen 13 en 24 jaar ooit enige vorm van seksuele grensoverschrijding meegemaakt te hebben; vier procent rapporteerde dat zij ooit gedwongen waren tot seksuele handelingen die zij niet wilden. Dat ligt duidelijk lager dan bij meisjes, maar het is niet marginaal. Tegelijk wijst recent materiaal voor jongensgerichte seksuele voorlichting erop dat een deel van mannelijke slachtoffers nooit iemand vertelt wat er gebeurd is en hulp zoeken beperkt blijft.
Het probleem is daardoor niet eenvoudig dat jongens “meer misbruik meemaken dan we denken”, want niemand kan het verborgen deel exact tellen. De sterkere conclusie is dat de categorie slachtoffer niet neutraal wordt waargenomen. Een jongen die stil, bang en teruggetrokken wordt past relatief gemakkelijk binnen een slachtofferbeeld. Een jongen die na misbruik agressief wordt, middelen gebruikt, wegloopt, steelt, vecht of seksueel grensoverschrijdend gedrag begint te vertonen kan tegelijk slachtoffer én overlastgever én uiteindelijk verdachte worden. Het ene hoeft het andere niet uit te sluiten. De Nationaal Rapporteur vraagt in 2026 expliciet aandacht voor de overlap tussen slachtofferschap en daderschap en voor kwetsbare groepen, terwijl het NJi benadrukt dat jongeren die anderen ronselen zelf een geschiedenis van misbruik kunnen hebben.
Daar zit misschien een van de meest ongemakkelijke delen van het hele systeem: instituties moeten handelen op zichtbaar gedrag, terwijl de oorzaak van dat gedrag vaak verborgen zit. Wie schade naar binnen draagt wordt patiënt. Wie dezelfde schade naar buiten laat bewegen kan een risico worden. Vanaf dat moment krijgt de buitenwereld meer rechten tegenover hem omdat zijn gedrag gevolgen voor anderen heeft, terwijl precies dezelfde beweging ervoor kan zorgen dat de oorspronkelijke kwetsbaarheid steeds minder zichtbaar wordt.
Het systeem hoeft niemand te haten
Een nihilistische analyse wordt eigenlijk eenvoudiger wanneer je de behoefte loslaat om ergens één schuldige intentie achter te vinden. Het systeem hoeft jongens niet te haten, instellingen hoeven niet collectief kwaadaardig te zijn en hulpverleners hoeven niet te besluiten dat autonomie onbelangrijk is. Een systeem kan schadelijke uitkomsten produceren terwijl vrijwel iedereen lokaal probeert een redelijk probleem op te lossen.
De medewerker wil vannacht voorkomen dat iemand zichzelf iets aandoet.
De instelling wil voorkomen dat een groep escaleert.
De gemeente wil binnen budget inkopen.
De rechter moet kiezen uit de plekken die daadwerkelijk bestaan.
De jeugdbeschermer heeft meer zaken dan tijd.
De politie ziet een strafbaar feit.
De jongen probeert op dat moment gewoon een toestand te stoppen die hij zelf nauwelijks kan uitleggen.
- Iedere beslissing kan binnen zijn eigen positie logisch zijn en toch gezamenlijk een structuur produceren die niemand afzonderlijk heeft gekozen.
Rapport
Daarom is het rapport van de inspecties uit 2025 eigenlijk bijna interessanter dan iedere afzonderlijke misstand. Na toezicht bij alle dertien gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering concludeerden IGJ en Inspectie JenV dat te veel jongeren niet of niet tijdig de noodzakelijke bescherming, begeleiding en hulp krijgen. Er is te weinig betekenisvol contact, onvoldoende zicht op veiligheid en ontwikkeling en onvoldoende participatie van jongeren en ouders. De inspecties zeggen tegelijkertijd expliciet dat de belangrijkste oorzaken niet simpelweg bij individuele jeugdbeschermers liggen, maar bij personeelstekorten, onvoldoende passende hulp en gebrek aan regie vanuit gemeenten en Rijk.
In februari 2025 wachtten ongeveer 1.500 jongeren met een rechterlijke maatregel te lang op een vaste jeugdbeschermer, jeugdreclasseerder en passende hulp, terwijl vrijwel alle dertien instellingen wettelijke termijnen of richtlijnen overschreden.
Hier wordt zorg bijna een verdelingssysteem van schaarste. Een kind heeft juridisch bescherming gekregen, maar de bescherming bestaat pas werkelijk wanneer er iemand beschikbaar is die haar kan uitvoeren. Een rechterlijke uitspraak kan gezag veranderen maar kan geen professional creëren, geen woonplek bouwen en geen behandelcapaciteit uit het niets produceren. Recht en werkelijkheid liggen dus uit elkaar. En precies in de ruimte tussen die twee leeft het kind.
Hoe data relevanter wordt
Voor jongens wordt dat relevant omdat zij opvallend vaak aanwezig zijn in juist die delen van het systeem waar gedrag, risico en toezicht centraal staan. De gegevens tonen niet dat zij systematisch slechter behandeld worden dan meisjes; die conclusie zou ik niet eerlijk kunnen trekken. Ze tonen iets subtielers: jongens komen vaker in jeugdhulp terecht, vooral op jongere leeftijd, hun onmacht wordt binnen JeugdzorgPlus vaker via agressie beschreven en wanneer de jeugdzorg overgaat in jeugdreclassering bestaat de populatie voor ongeveer vijf zesde uit jongens. Tegelijk weten we dat jongens als slachtoffers van seksuele uitbuiting moeilijker zichtbaar zijn en dat gespecialiseerde slachtofferzorg lange tijd sterker rond meisjes ontwikkeld is.
De interessantste hypothese is daarom niet “jongens krijgen minder zorg”, maar dat bepaalde vormen van jongenslijden sneller worden vertaald naar gedrag dat beheerst moet worden, terwijl bepaalde vormen van slachtofferschap juist moeilijker als slachtofferschap zichtbaar worden. Dat is een hypothese die verder onderzoek verdient, niet iets wat deze cijfers op zichzelf bewijzen. Maar wanneer dezelfde jongen tegelijkertijd slachtoffer, cliënt, agressor, wegloper, verdachte en minderjarige kan zijn, wordt duidelijk hoe weinig één categorie uiteindelijk zegt over wat er met hem gebeurt.
Eindeloze loop wat eindigt in meer geweld
En uiteindelijk maakt het systeem daar zelf een vreemde cirkel van. Een kind wordt uit zijn oorspronkelijke omgeving gehaald omdat die omgeving onvoldoende veilig is. Hij wordt geplaatst in een systeem dat bescherming moet geven. Om bescherming mogelijk te maken kan dat systeem zijn vrijheid beperken. Die beperking kan gevoelens van machteloosheid, vernedering of verzet versterken; het NJi noemt afzondering en fixeren zelf als maatregelen die trauma, angst, agressie en gevoelens van machteloosheid kunnen vergroten. Dat nieuwe gedrag kan vervolgens opnieuw bewijs worden dat meer controle nodig is.
Wanneer die keten goed wordt doorbroken is jeugdzorg werkelijk zorg. Wanneer hij zichzelf gaat bevestigen ontstaat iets anders: een systeem waarin de reactie van een jongere op het systeem onderdeel wordt van het bewijs dat het systeem nodig is.
- onveiligheid → bescherming → controle → reactie op controle → nieuw risico → verdere controle.
Misschien is dat uiteindelijk de meest nihilistische manier om ernaar te kijken. Niet dat achter iedere deur kwaad zit, maar dat een systeem geen betekenis nodig heeft om door te blijven draaien. Een categorie hoeft alleen een volgende categorie mogelijk te maken. Een dossier hoeft alleen voldoende informatie te bevatten om een besluit te rechtvaardigen. Een instelling hoeft alleen voldoende veiligheid te produceren om vandaag door te komen. Het kind hoeft niet volledig begrepen te worden zolang het geplaatst, beoordeeld, beschermd, behandeld of gecontroleerd kan worden.
En precies daarom wordt luisteren zo ongemakkelijk belangrijk. Niet omdat het verhaal van een jongen automatisch de objectieve waarheid is, maar omdat zijn ervaring soms het enige informatieniveau is dat niet al door het systeem zelf is vertaald.
Wanneer dat niveau verdwijnt blijft uiteindelijk alleen nog over wat instellingen van hem hebben gezien.
En dat is niet noodzakelijk dezelfde persoon.
Bronnen om verder in te gaan
https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2026/jeugdhulp-2025/1-jongeren-met-jeugdhulp https://www.nji.nl/actueel/monument-erkenning-geweld-jeugdzorg? https://www.nji.nl/actueel/geen-zicht-jongens-prostitutie? https://www.igj.nl/documenten/2025/06/12/toepassing-gedwongen-zorg-gebeurt-nog-niet-zorgvuldig?